Dark Souls (César Ducasse & Mathieu Peteul, 2010)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

darksouls

Voor een zombiefilm op het label van het sleazy BUT filmfestival is Dark Souls tamelijk braaf. Het gebrek aan uitzinnige wansmaak maakt van deze Noorse productie echter nog steeds geen familiefilm.

Het zombievirus slaat toe wanneer Johanna Ravn (Johanna Gustavsson) tijdens het joggen in het bos door een man in oranje werkpak en wit masker wordt besprongen en een boormachine zich een weg door haar schedel baant. De patholoog-anatoom en politie stellen haar overlijden vast, maar als de mannen het mortuarium hebben verlaten, kruipt de vrouw uit de lijkzak en keert ze terug achter haar thuiscomputer. Ze ziet wat bleekjes, is zwijgzamer geworden en braakt zo nu en dan besmettelijke zwarte smurrie. Voor de Nederlandstalige kijker is dit een leerzaam taalmoment, want het Noorse woord voor smurrie is smurrie.

Johanna’s vader (Morten Rudå) maakt zich terecht grote zorgen over zijn dochter. De muziekleraar neemt haar mee op een zoektocht naar de dader en het achterliggende complot. Ondertussen vallen in het land meerdere slachtoffers ten prooi aan mannen met boormachines. De filmmakers weten met weinig budget redelijk geloofwaardig te maken dat een gevaarlijke epidemie is uitgebroken. De regisseurs César Ducasse en Mathieu Peteul laten helaas te lang in het ongewisse wie het centrale personage is. Is het Johanna? De rechercheur (Kyrre Haugen Sydness)? Johanna’s vader? Misschien Johanna’s vriendin Maria (Ida Elise Broch)? Als hoofdrollen toch bijrollen blijken te zijn, neemt de interesse voor de personages zienderogen af.

De inbreng van de rechercheur zorgt voor een beetje humor, maar de voorzichtige lach verdwijnt voorgoed als de plot zich vooral op de vader richt en de rechercheur slechts mag opdraven als stoorzender. Pa Ravn onderneemt de speurtocht praktisch in zijn eentje. Na veel heen en weer rijden door stad en land, gewapend met een landkaart die gaandeweg onleesbaarder wordt vanwege de vele viltstiftaantekeningen, ontdekt hij de bron van het kwaad. Hoe hij dat precies voor elkaar krijgt, houdt de film in het duister. Het script stapt hier wat al te gemakkelijk over een obstakel heen.

Elders worden met net zoveel gemak andere obstakels opgeworpen, zonder dat het de spanning verhoogt. Zo is de rechercheur op het irritante af wel heel systematisch en onprofessioneel de vader aan het tegenwerken als die bij zijn bureau aanklopt met fotografisch bewijsmateriaal. En waarom doet de verpleegster niet gewoon even het licht aan als ze in een hal van het ziekenhuis vreemde voorwerpen in het donker ziet bewegen? Dat zou haar overlevingskansen drastisch hebben vergroot.

Heel even wordt Dark Souls spannend als de vader zich in het hol van de leeuw bevindt, maar dat leidt niet tot een verrassende afloop. De slotscène is een bevestiging van wat de kijker al een tijdje zelf heeft kunnen concluderen en mist daarom de beoogde dramatiek. Darks Souls is bij elkaar genomen een nauwelijks meeslepende low budget remake van Invasion Of The Body Snatchers (de versie uit 1978), waarbij het woord Body kan worden ingeruild voor het woord Soul.

5/10