White God (Kornél Mundruczó, 2014)

Facebooktwitterpinterestlinkedin

De grote roedel honden die in de Hongaarse film White God door de straten van Boedapest rent levert enkele spectaculaire beelden op. Volgens de makers zijn deze scènes geheel zonder tussenkomst van een computer gemaakt. De film bevat veel bruikbaar materiaal voor een aantrekkelijke trailer, zoals hierboven is te zien, maar het is de vraag of dat voldoende is voor het vervaardigen van een volledig geslaagde film.

De dertienjarige trompettist Lili (Zsófia Psotta) moet drie maanden bij haar humeurige vader logeren. Hij heeft een hekel aan honden en wil Lili’s bastaardhond Hagen (beurtelings gespeeld door de tweeling Luke en Body) het liefst meteen afgeven bij het asiel. Een dag later gooit hij het dier uit de auto en moet Hagen het zelf zien te redden in de grote stad waar vrijwel iedereen een grote afkeur heeft voor kwispelende viervoeters. De hond sluit zich aan bij een groep zwerfhonden en lijkt een romance te beginnen met een jackrussellterriër. Veel tijd om elkaar beter te leren kennen krijgen ze niet, want de dieren worden opgejaagd door een klein leger hondenvangers. Hagen valt in verkeerde handen, wordt gehersenspoeld en keert zich uit wraak met zijn soortgenoten tegen de volledige mensheid. Zijn hachelijke avonturen worden afgewisseld met de nauwelijks meeslepende beslommeringen van de ongeruste Lili die telkens drastisch de vaart uit de film halen.

De eerste scènes zien er bijzonder uit, maar roepen minstens twee vragen op die een lange schaduw werpen op het hele uitgangspunt van White God. Allereerst maken de rennende honden geen dreigende indruk. Dobermanns en rottweilers zijn in de minderheid of ontbreken volledig. Deze diertjes lijken geenszins van plan passanten te verscheuren. Ze lijken eerder massaal uitgelaten achter een sappige worst aan te rennen. Bloeddorst is wel het laatste dat ik in de blikken van de beesten ontwaar. Vergelijk dat eens met deze angstaanjagende openingsscène van de Israëlische animatiefilm Waltz With Bazir:

De straten van Boedapest zijn in de proloog net zo verlaten als die in post-apocalyptische films als The Omega Man (Boris Sagal, 1971) of 28 Days Later… (Danny Boyle, 2002). Het ontbreken van mensen in het straatbeeld doet vermoeden dat er op zijn minst onlangs een neutronenbom al het leven heeft weggevaagd. Alleen gebouwen en bruggen staan nog overeind. Als de mondiale hondenpopulatie in opstand was gekomen zou ik misschien kunnen geloven dat de stadsbewoners hals over kop hun stad zijn ontvlucht. Het is echter heel moeilijk te accepteren dat een overzichtelijk aantal op hol geslagen olijke schoothondjes aan de basis staat van het einde der tijden. Door dit zwakke gegeven verliest deze fabel over de verschoppelingen in onze maatschappij veel van zijn zeggingskracht..

5/10

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *