Distant Voices, Still Lives (Terence Davies, 1988)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

Distant_Voices_Still_Lives_2

Memory works in a cyclical way,
it doesn’t work in a linear way.
One thing promotes a memory.
It’s like dropping a stone into a pond,
and all of the ripples are part of the memory
of dropping the stone into the pond.

(Terence Davies, 2007)

Herinneringen aan het oude huis en familietaferelen doemen op onverwachte momenten ongevraagd op. De beelden zijn nooit in chronologische volgorde. Ze verspringen meestal willekeurig, en een enkele keer associatief, van de ene naar de andere gebeurtenis. Sommige herinneringen duren meerdere scènes lang, andere zijn binnen een paar seconden voorbij. Bijna alle restanten die in mijn geheugen opdoemen zijn de minder vrolijke momenten en ik kan me, als het even tegenzit, vele jaren later nog steeds laten kwellen door gedachtes aan voorbije zaken die vergeten behoren te blijven. In Distant Voices, Still Lives worden zulke onbehaaglijke herinneringen verzacht door muziek.

Er wordt veel gezongen in het zeer persoonlijke, prijswinnende speelfilmdebuut van regisseur Terence Davies. Luidkeels zingen is een collectief Brits tijdverdrijf. Ga een zomermiddag op een terras op de Nieuwmarkt zitten en hoor de Britse toeristen (veelal mannen) schallen uit de open ramen en deuren van de cafés elders op het plein. In de film zingen de personages om de moed erin te houden, voor het kweken en in stand houden van saamhorigheidsgevoel, om het met alcohol vermengde bloed sneller door het hoofd te laten stromen. Zingen als vorm van primal scream.

Distant_Voices_Still_Lives_1

Tony (Dean Williams) en zijn zussen Maisie (Lorraine Ashbourne) en Eileen (Angela Wash) kennen de liedjes van familiebijeenkomsten, huwelijksontbijten in de voorkamer en later van bezoeken aan het café. Muziek tempert tussen 1940 en 1960 het leed voor de familie Davies in hun armlastige straatje te Liverpool. In de eerste helft van de film (Distant Voices) maken depressies een onvoorspelbaar, explosief projectiel van vader (Pete Postlethwaite). Hij slaat een bezem stuk op de rug van z’n dochter. Het onaangetaste kerstmaal belandt dankzij hem tussen serviesscherven op de grond. Weerloos jammerend incasseert moeder (Freda Dowie) zijn klappen. Waarom ben je ooit met hem getrouwd? vraagt een van haar dochters. Hij kon zo mooi dansen, antwoordt moeder.

Te oordelen aan het gedrag van grootmoeder en oom Ted zit gekte in de genen. De buitenproportionele bruutheid van vader en het huwelijk van Eileen vormen de rode draad in Distant Voices en zetten de herinneringen in beweging. De tweede helft van de film (Still Lives) volgt de familie na het huwelijk van Maisie wanneer de kinderen volwassen zijn, het huis hebben verlaten en proberen te overleven ondanks de blijvende mentale littekens die ze aan vaders tirannie hebben overgehouden.

Terence Davies put rijkelijk uit eigen ervaring, zich hier en daar om praktische redenen een dichterlijke vrijheid veroorlovend. Hij kwam zelf uit een gezien van de tien kinderen, maar beperkt zich in de film tot zijn broer en twee zussen om het leed overzichtelijk te houden. Distant Voices, Still Lives kent geen rechtlijnig plot, want het geheugen heeft geen rechtlijnig plot. Meerdere anekdotes en incidenten blijven onverklaard (totdat je het aimabele commentaar van Davies hoort op de vorige maand bij het BFI verschenen dvd).

De film wordt non-lineair verteld en is een collage van voorvallen en dagelijkse details die niet meer uit het geheugen van de filmmaker zijn te griffen. Een van die details is de angst die Davies als kind moest doorstaan wanneer moeder, zich van geen kwaad bewust, met gevaar voor eigen leven de bovenramen lapte. Davies’ allereerste bioscoopervaring was Singin’ In The Rain en ook in zijn eerste film is muziek alomtegenwoordig, van populaire (film)liedjes tot hymnen en composities van Benjamin Britten. Het is bijna een musical, maar dan een vol wonderschone dichterlijke triestheid.