Paradiso (Jeroen Berkvens, 2011)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

paradisofilm

Vorm heeft de overhand in de documentaire Paradiso. De digitale camera zweeft over en door het gebouw aan de Weteringschans, langs hoeken en spelonken, en aanschouwt de details vanuit posities die geen enkele bezoeker tijdens een concert ooit zal bereiken. De glas-in-loodramen hebben speciaal voor de gelegenheid een poetsbeurt ondergaan. De vloer in de grote zaal glimt als een spiegel. De camera lijkt de voormalige kerk te keuren met het oog van God.

In de montage worden verschillende scènes in een vloeiende beweging naast elkaar gemanoeuvreerd. Het fraaie resultaat komt volledig tot zijn recht op het grote witte doek. Dezelfde montagetechniek werd een paar jaar geleden ook toegepast in de documentaire over het Britse festival All Tomorrow’s Parties, die werd samengesteld aan de hand van honderden ingestuurde filmpjes van festivalbezoekers. Het grootste gedeelte van Paradiso’s geschiedenis is van voor de digitale revolutie en omdat bezoekers niet of nauwelijks optredens op 8mm vastlegden, is het historisch beeldmateriaal schaars in de Paradisofilm.

Bij gebrek aan bewegende archiefbeelden worden beroemde bezoekers van de popzaal dankzij moderne videotechnieken als spoken vanaf foto’s en flarden video in het interieur geplaatst, inclusief de data waarop ze hun optredens gaven. Het blijft lang onduidelijk welke kant de documentaire opgaat. Wordt het een lofzang op de rijke geschiedenis en huidige staat van het efficiënt bestuurde pand? Een historisch overzicht van hoogte- en dieptepunten? Faithless’ ode aan God als DJ, en het poppaleis als Zijn tempel, doet het eerste vermoeden. Vanaf de reconstructie van het roemruchtige concert van The Stranglers in 1977 lijkt de geschiedenis leidraad van de documentaire te worden. Dan pas lijkt de film eindelijk uit de startblokken te komen.

Helaas blijkt direct na het item over The Stranglers niet de geschiedenis van Paradiso centraal te staan, maar de muzikanten die er de laatste paar jaar hebben gespeeld. Elke generatie, van sixties rockers The Sonics tot en met de onvermijdelijke Tim Knol, vertelt over de rituelen die voorafgaan aan een optreden. Door verschillende muzikanten tegelijkertijd te tonen op gelijksoortige momenten, laten de filmmakers zien dat het niet uitmaakt of je doet aan hiphop (Public Enemy), spoken word (Henry Rollins), singer-songwriterliedjes (Martha Wainwright) of Vlaams alternatief (dEUS) – iedereen kampt met dezelfde soort spanningen, de een wat heftiger dan de ander.

Verhalen over nauwelijks bedwingbare zenuwen gelden voor alle optredens en dus niet exclusief voor die in Paradiso. De documentaire wordt zo meer het portret van de uitvoerende artiesten, dan het portret van het podium. Dat was ook in de intentie van de makers, maar teleurstellend is het wel. Interviews met medeoprichter Willem de Ridder of voormalige kortstondige directeur Hans Dulfer ontbreken, net als beelden van markante Paradisomedewerkers als posterontwerper Martin Kaye, popdichter/portier Ton Lebbink of wijlen portier Jozef.

Ik kan me voorstellen dat de keuze voor hedendaagse muzikanten als invalshoek te maken heeft gehad met het gebrek aan beschikbare archiefbeelden en/of de kosten die verbonden zijn aan beeld- en muziekrechten. De opgewekte John Lydon levert citeerbare oneliners in het zonnetje buiten achter het gebouw, maar de muziek van zijn optreden in de zomer van 2010 met PIL krijgen we niet te horen. Zanger Jello Biafra herinnert zich het hek bij het podium dat hij in 1982 liet verwijderen voordat zijn Dead Kennedys ging optreden, maar we krijgen niet te zien hoe hij indertijd zijn microfoon aan iemand in het uitzinnige publiek gaf, zodat hij even een dansje kon doen.

Wat de documentaire nog een beetje de moeite waard maakt, zijn de recente kleurrijke bezoekers, zoals de kettingrokende Daniel Johnston die zijn sigaretten kwijt is en tijdens de repetitie vergeet in te vallen. Een van de mooiste momenten wordt voor het laatste bewaard: een akoestisch intermezzo tijdens het optreden van Patrick Watson, met de zanger midden in de volle grote zaal en het publiek als koor. De aanwezigen zingen als de gemeente tijdens een kerkdienst. De scène toont de kracht van de locatie: ondanks de grootte van de ruimte zijn de muzikanten altijd dichtbij en als je daar als muzikant ten volste van profiteert, ligt een magisch concertmoment binnen handbereik.

6/10