Pirates Of The Caribbean: At World’s End (Gore Verbinski, 2007)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

at-worlds end

Pirates Of The Caribbean: At World’s End is de tot meer dan twee en een half uur uitgerekte slotscène van Pirates Of The Caribbean: Dead Man’s Chest (2006). De film is onnavolgbaar voor mensen die de eerste twee delen van de filmserie gemist hebben, maar volgens mij ook lastig te volgen voor degenen die met weinig meer dan een beetje interesse het voorafgaande hebben ondergaan.

Onze jolige piratenheld Jack Sparrow (Johnny Depp, van wie de gevatte oneliners in de eerste twee delen zijn achtergebleven) werd in deel 2 overduidelijk verslonden en opgepeuzeld door een onooglijk zeemonster. In het ondermaanse van de Pirates-serie is echter niets onmogelijk. In het script is altijd wel een handige vorm van tovenarij voorhanden om hoofdpersonages naar believen uit de dood te doen herrijzen. Hocus pocus pas. Huub, huub, huub, Barbatruc. Al die handige magie zou helemaal niet zo erg zijn als de filmmakers de trouwe kijkers weer hadden getrakteerd op een pretpark aan actiescènes zoals in de eerste afleveringen (waarbij ik me overigens prima geamuseerd heb, laat daar geen misverstand over bestaan). Waar komen we anders met z’n miljoenen wereldwijd voor naar de bioscoop?

In plaats van veelvuldige, spitsvondige, slapstickachtige actie is At World’s End een ergerniswekkend saaie opeenvolging van ruzies, meningsverschillen, zielsconflicten, intriges, onderhandelingen en verraderlijke beslissingen die worden beslecht door middel van oeverloos gekijf tussen de belangrijkste personages. Na een half uur had ik al geen enkele interesse meer in wie het met wie doet en wie waarom en op welke wijze zijn zinnen heeft gezet op de ondergang van de ander. Acteur Orlando Bloom heeft als Will Turner nog steeds het charisma van een lauw nat washandje. Zijn romance met Elizabeth Swann (de broodmagere Keira Knightley) veroorzaakt net zo veel vonken als een lege aansteker tijdens een wolkbreuk, wat jammer is, want de plot lijkt voor een belangrijk deel om hen te draaien.

at-worlds end2

De film schiet danig tekort wat betreft enerverend uitgevoerde gevechtshandelingen. Er zit weinig meer in dan een druk gevecht in de beginfase in het verblijf van Oosterse piraat Captain Sao Feng (Chow Yun-Fat) en eentje in de slotfase tussen twee boten in een reusachtig kolkende maalstroom. We hebben het eerder en vooral beter gezien in deel 1 en deel 2. En het omkerende schip is veel minder sensationeel dan de kieperende boot in Poseidon (2006), de overbodige remake van The Poseidon Adventure (1972). Het feit dat personage met nog minder moeite dan Jezus uit hun graf herrijzen, haalt elke twijfel over de mogelijke afloop weg en daarmee alle potentiële spanning, voor zover daar al sprake van is. Vanaf het moment dat Sparrow zomaar uit het niets levend in beeld wandelt, is duidelijk dat de helden nooit iets heel ergs zal overkomen. De dood is in At World’s End een zeer relatief begrip.

De scenarioschrijvers stapelen ondertussen het ene raadsel op het andere en laten ons met veel vragen achter. Mijn grote vraag (spoiler alert!) is waarom de kwaadaardige Lord Cutler Beckett (Tom Hollander) aan het eind van het verhaal zijn honderden kanonnen niet inzet op het moment dat zijn schip omringd wordt door slechts twee piratenschepen van Sparrow en de zijnen en waarom hij de vloot van duizenden oorlogsschepen niet in beweging zet maar ze roerloos aan de horizon laat wachten terwijl ze met een slagkracht van meerdere atoombommen de piraten zonder meer naar de bodem van de oceaan zouden kunnen schieten.

Uit de trukendoos van de scenarioschrijvers, maar vooral die van de CGI-programmeurs, komt slechts één redelijk bevlogen moment voort: de hallucinerende Sparrow in zijn eerste verschijning op het witte doek, wanneer hij eenzaam op het dek van zijn op een witte zandvlakte gestrande schip dwaalt, zichzelf opsplitsend in honderden kapiteinsmaatjes en uiteindelijk geholpen door een uit stenen ontpopte golf van krabbetjes. Helaas valt na deze wonderlijke fantasie verder niets prikkelends meer te beleven, en voor die paar minuutjes met Keith Richards hoef je ook geen uren lang zitten te draaien in je bioscoopstoel. Het was dat ik in gezelschap in de bios zat, anders was ik zeker halverwege de film de zaal uit gelopen.