Le Soupirant (The Suitor) (Pierre Étaix, 1962)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

soupirant

Van sommige bezoekers van deze site weet ik dat ze een hekel hebben aan Jacques Tati. Vandaar dat ik al sinds begin dit jaar een stukje over Pierre Étaix op de plank heb laten liggen, twijfelend of het zin heeft zijn werk hier aan te prijzen. Étaix vertoont namelijk enige overeenkomsten met Tati. Tot eind vorig jaar had ik nog nooit van de Franse komiek gehoord. Zijn films moesten flink opgepoetst worden voordat ze vanuit de kelders van de Franse filmarchieven belandden in een mooie verzamelbox uitgebracht op Arte Editions.

De Oscarwinnende korte film Heureux Anniversaire (1962) laat meteen zien dat de thematiek van Étaix vergelijkbaar is met die van Tati. Een man (Étaix) probeert een vrouw te bereiken die elders in de stad met hapjes en drankjes op hem wacht. In het krankzinnig drukke verkeer in de straten van Parijs omzeilt de man stoïcijns allerlei barricades, drempels en hindernissen in een poging een bloemetje voor haar te scoren en op tijd te zijn voor een feestelijk samenzijn. Een variatie op de eerste korte film is de episode Tant Qu’On A La Santé uit de gelijknamige film uit 1966, waarin verkeersopstoppingen ook een belemmering vormen in de bewegingsvrijheid. Iedereen probeert de verkeerssituatie te vergoelijken door te blijven lachen, zelfs al doen de kaken pijn.

Net als in de films van Tati is bij Étaix de gewone man in conflict met het drukke, onoverzichtelijke stadsleven. Tati en zijn alter ego monsieur Hulot hebben echter meer moeite met het aanvaarden van de moderne wereld dan Étaix. Hulot kan slecht overweg met de nieuwerwetse snuisterijen en recente uitvindingen in het huis van zijn neefje in Mon Oncle (1958) en raakt verdwaald in de kantoorparken van Playtime (1967). Hulot zal zijn geluk nooit in de stad kunnen vinden en altijd terugkeren naar zijn gezellig rommelige oude dorpsplein.

Stadsmens Pierre Étaix is wel bereid zich aan te passen aan de veranderingen om hem heen. In tegenstelling tot Tati ziet Étaix het platteland niet als idyllisch alternatief, zoals het laatste deel van de het vierluik Tant Qu’On A La Santé bewijst. Tijdens een picknick op het platteland in de episode Nous N’Irons Plus Au Bois merkt een stads echtpaar dat de obstakels in de natuur en op de akkers weinig onderdoen voor die in de grote stad.

De hoofdpersoon in Étaix’ speelfilmdebuut Le Soupirant (The Suitor) (1962) zondert zich het liefst af van de buitenwereld en leeft bijna letterlijk op een andere planeet. Hij is gek op ruimtevaart en het eerste dat de film toont is het kale maanlandschap op een poster in de kamer waar hij bijna nooit uit komt. Zijn ouders willen dat hun zoon op zoek gaat naar een huwbare vrouw. Deze opdracht is voor hem net zo uitdagend als het vinden van leven op Mars. Eenmaal op de Parijse straten observeert de man zijn medemensen en doet hij hun handelingen na, in de hoop op die manier iets van hen te leren. Hij verkijkt zich daarbij op de complexiteit van de intermenselijke relaties en die tussen man en vrouw in het bijzonder, met alle grappige gevolgen van dien.

Als hij verliefd wordt op een zangeres die hij alleen kent van televisie, trekt hij de ruimtevaartposters van de muur en plakt hij zijn kamer vol met haar portret. De zangeres is voor hem natuurlijk net zo onbereikbaar als de dichtstbijzijnde ster buiten ons zonnestelsel. Het is geen toeval dat ze Stella heet. Door zijn obsessie vergeet hij de aardige, stille Zweedse studente die bij hem thuis inwoont. De enige barrière tussen hem en de studente is taal, iets wat in de vrijwel volledig als zwijgende film geschoten Le Souprirant nauwelijks is te horen.

Étaix’ grootst opgezette film is Yo Yo (1965), een episch verhaal over man uit een rijke familie die kiest voor het circusbestaan, geïnspireerd door onder meer Chaplin (The Circus) en Fellini (La Strada krijgt een letterlijke verwijzing). De derde film Tant Qu’On A La Santé is het leukst in de episodes met herkenbare situaties op vertrouwde locaties, zoals de afgeladen bioscoop in Le Cinéma waar Étaix constant in de weg zit of in de weg wordt gezeten.

De komiek wordt in al zijn films geholpen door scenarist Jean-Claude Carrière, de man die in dezelfde periode de laatste fase in de carrière van Luis Buñuel een impuls gaf. In Étaix’ vierde film Le Grand Amour (1969) valt een heel klein beetje Buñuel te bespeuren. In deze film trouwt een man met de dochter van een fabrieksdirecteur. Hij treedt daarmee tegelijkertijd in het huwelijk met zijn schoonouders en de fabriek. De kersverse directeur raakt gecharmeerd van een zeer jonge secretaresse en probeert haar op dezelfde manier te verleiden zoals directeur Fernando Rey dat doet met Catherine Deneuve in Buñuels Tristana (1970). Le Grand Amour krijgt een surrealistisch tintje in een Buñueliaanse droomscène met rijdende bedden.

De film in de box die mij minder wist te boeien is Pays De Cocagne (1971), een documentaire over het gedrag van gewone Franse mensen tijdens hun zomervakantie. In deze combinatie van Bert Haanstra en Man Bijt Hond zet Étaix het Franse volk neer als een domme en lompe massa die op en rondom het strand elkaar opzoekt voor idiote spelletjes, verkleedpartijen en ander zinloos tijdverdrijf. Alsof de progressieve jaren zestig nooit hebben bestaan. Na al zijn voornamelijk zwijgende films voelt de woordenstroom in deze film aan als een koude douche. Bij Pays De Cocagne was ondertiteling geen overbodige luxe geweest.

8/10


Update: in april 2013 verscheen bij het Amerikaanse label Criterion een box (zowel dvd als Blu-ray) met acht ondertitelde films van Pierre Étaix.