Jumper (Doug Liman, 2008)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

jumper

Het uitgangspunt van Jumper is te karig om er een hele film aan op te hangen. Als David (gespeeld door houten klaas Hayden Christensen) tijdens een ruzie op school onder het ijs terechtkomt, ontdekt hij dat hij zich kan teleporteren naar elke gewenste bestemming op aarde. Met hulp van deze gave transporteert David zichzelf naar een bankkluis en met een aanzienlijke buit vertrekt hij naar New York, zijn vader en zijn schoolvriendin achterlatend in de veronderstelling dat hij onder het ijs is overleden en verdwenen. Het heen en weer springen tussen de meest fotogenieke locaties uit de reisgids is leuk voor vijf minuten, zeker dankzij de computertrucages uit de studio’s van de Weta Workshop. Helaas moet ook nog een verhaal verteld worden en daar gaat Jumper flink op z’n bek.

Allereerst zet hoofdrolspeler Hayden Christensen zijn personage neer als een zelfzuchtige profiteur die zijn gave enkel benut voor eigen gewin en geen seconde overweegt heldendaden te verrichten, ondanks de acute nood die hij enkele malen op televisie aanschouwt. David is een onsympathieke vlerk. Medeleven bij de toeschouwer is geen optie. Zijn lot laat koud. Daarnaast zorgt zijn gave ervoor dat hij praktisch ongrijpbaar is. Elke mogelijke spanning is bij voorbaat uitgesloten, hoe hard Jumperjager Roland (Samuel L. Jackson, vernoemd naar de ridder uit het Roelantslied) ook probeert de jongen te vangen.

Roland is de religieus gemotiveerde leider van een groep die zich Paladijnen noemt. Zij willen Jumpers liquideren omdat naar hun mening enkel God alomtegenwoordig kan zijn. Of de functie van Paladijn net zo genetisch bepaald is als de aanleg voor het Jumperschap laat het script onhandig in het midden. Een Paladijn kan een Jumper namelijk enkel achtervolgen met hulp van speciaal ontworpen apparatuur. Het is geen geboren afwijking, al doet een onthulling aan het slot wel zoiets vermoeden.

Jumper is een film zonder angel en vol storende fouten. Zou het echt de bedoeling zijn geweest dat het idioot witte haar van Samuel L. Jackson witte krijtstrepen achterlaat op zijn zwarte gezicht? Het is ook vreemd dat schoolvriendin Millie (Rachel Bilson) zonder probleem en zonder emoties accepteert dat David na acht jaar dood te zijn gewaand opeens zo springlevend voor haar staat. Het vele onrustige springen van de ene ver afgelegen locatie naar de andere vergroot het risico op continuïteitsfouten, een euvel waar de makers te weinig aandacht aan hebben besteed. Zo heeft David op een vliegveld zichtbare scheuren in zijn shirt en zijn die scheuren na een volgende teleportatie een paar seconden later zonder reden weer netjes dichtgenaaid.

David rent door tijdstunnels achter zijn Jumpercollega Griffin (Jamie Bell) aan en belandt in de straten van Tokio, alwaar Griffin een prijzige auto steelt waarin het stuur aan de linkerkant zit, terwijl het verkeer in Japan links rijdt en het stuur dus aan de rechterkant had moeten zitten. Het is vreemd dat de twee helemaal naar Tokio gaan voor het stelen van een auto. De flitsende, snelle wagen hadden ze makkelijk uit een plaatselijke Amerikaanse of Engelse showroom kunnen jatten, want verder hebben de jongemannen voor het verhaal helemaal niets te zoeken in Japan. De enige plottechnische reden voor de autoscène is om aan te tonen dat Jumpers ook grote voorwerpen mee kunnen teleporteren zolang deze in beweging zijn.

Wanneer de twee een onderling conflict uitvechten slaat de willekeur toe en belanden de vechtersbazen om onduidelijke redenen te midden van oorlogshandelingen in Tsjetsjenië. Van enige motivatie, anders dan het switchen tussen zoveel mogelijk spectaculair ogende decors, is geen sprake. Net als de onderuitgezakte David voor de televisie in zijn ruimte appartement in Manhattan, zapt de kijker in Jumper ongeïnteresseerd van beeld naar beeld. Jumper is een domper. Overigens is Jumper na Stranger Than Fiction alweer een film waarin de aanwezigheid van acteur Tom ‘Amadeus’ Hulce mij tijdens het kijken totaal niet is opgevallen.

Er is overigens geen relatie tussen deze film en een bekend liedje van The Sultans Of Ping FC.