Hazard (Sion Sono, 2005)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

hazard

En als je denkt dat het niet nog slechter kan, krijg je Hazard voor de kiezen. Regisseur Sion Sono is de maker van bekendere (of moet ik zeggen: beruchtere?) titels als Suicide Club (2002) en Strange Circus (2005), films die ik na het ondergaan van Hazard liever laat voor wat ze zijn. Sono probeert de cultuurverschillen te onderstrepen tussen Japan en de Verenigde Staten. Zijn hoofdpersonage Shin (Jô Odagiri, eerder te zien in o.a. Bright Future en Azumi) voelt zich ‘slaperig en onrustig’ in het korset van de moderne Japanse maatschappij en denkt de vrijheid te vinden in Harlem, aangemoedigd door een reisboek waarin de gevaren van New York geprezen worden.

Hij wordt direct na aankomst op zijn wenken bediend en beroofd door een groep zwarte jongens. Later die dag zien de twee in New York woonachtige Japanse generatiegenoten Lee en Takeda de berooide Shin een snack stelen bij een buurtsuper. Het duo neemt hem mee op sleeptouw tijdens hun wel heel erg opzichtige duistere praktijken. Normaal gesproken zouden ze al na hun eerste overval direct in de kraag zijn gegrepen, maar in Hazard rijden politiewagens voorbij zonder in te grijpen. De jonge Shin laat zich gewillig mee de onderwereld intrekken. Voordat het in de laatste minuten op voorspelbare wijze fout afloopt, laat Sion Sono zijn personages ongeremd improviseren.

Een bekwaam regisseur zou zijn acteurs op z’n minst een beetje sturen en bijtijds afremmen wanneer het schmieren al te erg uit te klauwen loopt. Sono moet echter tijdens de draaiperiode buiten westen zijn geweest. Vooral Jai West, in de rol van Lee, maakt gretig misbruik van Sion Sono’s geestelijke afwezigheid en neemt alle ruimte voor het afstotelijk uitzinnig uitbeelden van een Japanner die zich een zwarte gangster waant, inclusief stoere Amerikaanse straattaal. Lee is onuitstaanbaar. Sono probeert het karakter van dit personage in een van de weinige ingetogen scènes te verzachten door te suggereren dat de schreeuwende bandiet een poëtische inslag heeft en graag aan de kade van de Harlem River Walt Whitman citeert. Het resultaat is ridicuul en absoluut ongeloofwaardig.

Op de dag van de ontmanteling van zijn imperium (een drugskartel geleid vanuit een ijscowagen), stort Lee zich op de grond, daarbij hysterisch fuck, fuck, fuck kakelend als een verstopte kip in barensnood. Je zou er bijna van in de lach schieten. Door de nadruk op improvisaties is van enig coherent verhaal of dramatische vertelstructuur geen sprake. Van de meerdere, lawaaierige gewapende overvallen gaat geen enkele spanning of dreiging uit, de verliefdheid van Takeda (Motoki Fukami) op een flyermeisje is bij voorbaat een doodlopende weg en de corrupte agent is een vleesgeworden deus ex machina. Met hulp van een voice-over door een kindstem doet Sion Sono een poging nog enige diepgang aan Hazard te geven, maar dat heeft hetzelfde effect als het tijdens de troonrede laten voordragen van de volledige songtekst van Een Barg Die He Un Krul In De Steert.