Hara-kiri: Death Of A Samurai (Takashi Miike, 2011)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

hara_05cf

Als Hara-kiri: Death Of A Samurai geen remake was geweest, had ik deze samoeraifilm van Takashi Miike nog meer gewaardeerd. De Japanse veelfilmer (meer dan 80 titels achter zijn naam sinds 1991) volgt hier bijna hondstrouw de lijn die is uitgestippeld in Harakiri (Seppuku) van Masaki Kobayashi uit 1962, een van de beste Japanse films ooit gemaakt.

Hara-kiri van Takashi wekt de indruk beeld voor beeld te zijn gekopieerd en ingekleurd. Hoofdrolspeler Ebizô Ichikawa heeft dezelfde baardgroei als Tatsuya Nakadai in het origineel, de flashbacks zitten op vrijwel dezelfde plek, de muurschilderingen lijken door dezelfde schilder aangebracht, een opponent krijgt in beide films een zwaardwond op zijn voorhoofd, de close-ups van het oude strijdmasker en een doodzieke baby zijn identiek, de binnenplaats waar het zelfmoordritueel plaatsvindt zouden door dezelfde architect ontworpen kunnen zijn, het slotgevecht heeft een vergelijkbare choreografie, en ga zo maar door. Een van de weinige verschillen zijn de sneeuwvlokken die in de nieuwe versie bijna het zicht aan de climax ontnemen. Takashi heeft voor zijn soundtrack Ryûichi Sakamoto ingehuurd, maar zelfs dit gewaardeerde muzikale zwaargewicht moet zijn meerdere erkennen in de unieke, grillige, dreigende percussieve score van Tôru Takemitsu.

De verschillen vallen me allemaal extra op omdat ik Kobayashi’s meesterwerk onlangs voor de derde keer zag, dankzij de Blu-ray op het Britse label Masters Of Cinema. Extra handicap voor de nieuwe filmversie is dat deze in 3D is gedraaid. Ter versterking van het diepte-effect maakt de camera allerlei extra glijdende bewegingen en staan constant een of meerdere voorwerpen vooraan in beeld, wat voor 3D een voordeel is, maar thuis op de buis in 2D snel begint te irriteren. Ook de eerder genoemde sneeuwbui is slechts bedoeld ter 3D-decoratie.

Hara-kiri speelt zich af begin zeventiende eeuw. De berooide ronin Hanshirô Tsugumo (Ichikawa) arriveert bij het verblijf van een samoeraiclan en vraagt of hij bij hen ritueel zelfmoord mag plegen. Hij heeft zelf namelijk geen eigen samoeraimeester meer om te dienen en moet daarom volgens de regels van de Bushido Shoshinshu een samoeraiwaardig einde aan zijn leven maken. De woordvoerder van de samoerai vertelt Hanshirô over het bezoek van een jongere ronin die dezelfde wens had, maar stiekem hoopte op medelijden van de clan en wellicht zelfs een financiële tegemoetkoming. Bang voor een mogelijke toestroom van armoedige gelukzoekers, liet de clan de jonge ronin voor straf harakiri plegen met zijn eigen botte bamboezwaard. Hanshirô hoort het verhaal zwijgend aan, maar volhardt in zijn wens. Vlak voor de voltrekking van het pijnlijke en bloedige ritueel onthult hij het ware motief voor zijn bezoek.

Het verhaal van Hara-kiri is zo strak afgemeten dat het ontzettend moeilijk is af te wijken van de eerdere verfilming. Een remake is bij voorbaat overbodig. Is er dan niets goeds te melden over Takashi’s versie? Toch wel. De excentrieke regisseur, bekend om zijn buitensporig gewelddadige maffiafilms en extreme horror in beruchte films als Audition (1999) en Ichi The Killer (2001), houdt het zeer discreet, ook bij de hak- en zaagscène. Hij laat zich van zijn zachtste kant zien en bewijst daarmee zijn veelzijdigheid zoals hij sporadisch eerder liet zien in de kalme films The Bird People In China (1998), Sabu (2002) en Big Bang Love, Juvenile A (2006).

Takashi brengt de armoede van Hanshirô, zijn dochter, haar echtgenoot en hun baby nog treffender in beeld dan Kobayashi. Een kleine schrijnende scène is wat dat betreft het moment dat schoonzoon Motome (acteur Eita) net geld genoeg heeft om een paar eieren te kopen voor zijn gezin. Vlak na aankoop botst een spelend kind per ongeluk tegen hem op en glipt een van de eieren uit Motome’s handen. Gedreven door honger kruipt hij op zijn knieën en likt hij het eiwit en de dooier van de keien. Lager kan een ronin niet komen.

7/10