Fido (Andrew Currie, 2006)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

fido

Zombies zijn volhardende schepsels. Een schot door hun kop of een zorgvuldig uitgevoerde onthoofding zijn blijkbaar geen garantie om voor altijd van ze verlost te zijn. Elk decennium kruipen ze meerdere malen uit hun graven en strompelen ze kreunend over het bioscoopdoek. Om de ondoden mag ook gelachen worden dankzij de doldrieste Britse zombiepersiflage Shaun Of The Dead (Edgar Wright, 2004) en het meer subtiele Fido.

Fido is de naam van de klusjeszombie in het huishouden van vader Bill, moeder Helen en zoontje Timmy. Hij is een van de overblijfselen van de Zombieoorlog die gewoed heeft in het midden van de vorige eeuw. De mens heeft de zombieoorlog gewonnen, maar vanwege besmettelijke stoffen in de lucht kan nog steeds iedereen die komt te overlijden direct veranderen in een levende dode. Bejaarden zijn wat dat betreft een risicogroep.

Dankzij een eenvoudig aan te brengen uitvinding is het mogelijk de honger naar mensenvlees te neutraliseren en zombies te veranderen in makke schaapjes, geschikt voor de meest basale klusjes, zoals het aanharken van publieke parken, het rondbrengen van de krant en flessen verse melk, het optillen van meubels tijdens verhuizingen en het openen van schooldeuren. Van groot belang is dat deze zombies een speciale elektronische halsband om hun nek houden en dat deze halsband geactiveerd blijft. Zolang de rode lampjes branden is er niets aan de hand.

De veiligheid van de Amerikaanse burgers wordt gegarandeerd door het bedrijf Zomcon, gelegen nabij het voorbeeldige plaatsje Willard. Hun slogan: a better life through containment. Voor de timide Timmy (debuutrol van K’Sun Ray) is zombie Fido een welkome aanwinst, want hij heeft verder geen vrienden. De enige klasgenoten die wel aandacht aan hem besteden, zijn de twee grote pestkoppen van de klas. Zijn moeder (Carrie Anne-Moss) heeft de zombie aangeschaft, omdat elk modelhuishouden nu eenmaal minstens één zombie in huis heeft en haar gezin niet kan achterblijven. Ze is meer bezig met haar status in de gemeenschap dan met de opvoeding van haar kind. Onhandige vader Bill (Dylan Baker) is nog erger. Hij is onhandig in de omgang met zijn zoon en gaat liever elk vrije weekend een potje golven met zijn maatjes. De enige gezinsuitstapjes zijn bezoeken aan begrafenissen.

10 procent van de bevolking laat zich begraven (met voor de veiligheid het hoofd in een afzonderlijke kist) en dat vindt vader een uitstekend idee, aangezien hij, door toedoen van een traumatische ervaring in zijn jongensjaren, als de dood is voor zombies. De nabijheid van zombie Fido boezemt hem angst in. Voor Timmy is de zombie een ideaal huisdier. De steunende lobbes is zo trouw als Lassie en klaagt nooit tijdens het spelen. Zijn aanwezig is niet zonder risico, vooral wanneer zijn halsband per ongeluk uitgeschakeld wordt. De vervelende overbuurvrouw mrs. Henderson is het slachtoffer en haar overlijden brengt een kettingreactie teweeg waarvan het einde nauwelijks is te overzien. Haar verdwijning en de plotselinge toename van verse wilde zombies is de zorg van Timmy’s nieuwe buurman Jonathan Bottoms (Henry Czerny). Hij is de grote oorlogsheld van Willard en baas van de beveiliging van Zomcon. Met hulp van Bottoms dochtertje Cindy (Alexia Fast) en een voormalige werknemer van Zomcon (Tim Blake Nelson) probeert Timmy zijn zombiemaatje Fido te redden uit handen van meneer Bottoms.

fido2

Ondanks de bloederige momenten is de humor in Fido van het milde soort. De film is een relatief zachtmoedige pervertering van conventies uit familiefilms, maar toch slechts geschikt voor mensen die niet bang zijn voor vleeswonden. Regisseur Andrew Currie gaat niet voor de schaterlach, maar voor het stijlvol en met een knipoog mengen van genres. Zo is het werk uit de jaren vijftig van Douglas Sirk te herkennen aan de overdreven in Technicolor gedrenkte kleuren. Net als bij Sirk regelmatig het geval is (denk aan All That Heaven Allows uit 1955), groeit ook in Fido een verboden liefde op, in dit geval die tussen een huismoeder en een zombie. De expres opzichtige achtergrondprojectie tijdens scènes in de auto zijn helemaal conform de stijl uit de periode.

De veel te groene grasveldjes en de witter dan witte hekwerken rondom de huizen zijn geïnspireerd door de straten in Blue Velvet (David Lynch, 1986). De relatie tussen Timmy en Fido is als die in films over kinderen en hun dappere hond, inclusief fragment waarin het huisdier zijn baasje uit een penibele situatie redt door naar huis te rennen en daar aan de voeten van moeder jankend te piepen. De zombies zijn vanzelfsprekend hun eigen genre, al blijft het bloedvergieten en het kannibalisme binnen de aangeharkte perken.

De getrainde kijker kan onder cinefiele verwijzingen ook nog een politiek satire ontdekken in Fido, maar dan moet je wel goed onder het oppervlak kijken. De Canadese acteur Henry Czerny heeft voor zijn Jonathan Bottoms de gedragingen bestudeerd van George W. Bush en de zwart-witte propagandafilms hebben dezelfde vorm als de buitensporig bezorgde voorlichtingsfilmpjes waar de Amerikaanse overheid het eigen volk mee manipuleerde ten tijde van de Koude Oorlog.

Het slagen van de humor staat of valt met de vertolker van het titelpersonage. Billy Connolly is in de film lastig herkenbaar vanwege een flinke laag make-up en een uitvergroot gebit. De keuze voor Connolly is verrassend, aangezien Fido de rust zelve is en geen tekst heeft, terwijl de anders zo drukke Schotse komiek in het dagelijkse leven en op het podium zijn mond nooit kan houden. De acteur moet het hebben van zijn mimiek en laat het acteren voornamelijk over aan zijn ogen. En met succes, want ondanks zijn staat van ontbinding weet de acteur aannemelijk te maken dat hij gevoelens van verliefdheid kan opwekken bij ongelukkig getrouwde huisvrouwen.

Fido is momenteel in een volgepropte Amerikaanse dvd-editie verschenen (Regio 1) en te vinden bij de betere importzaak.