De eerste films van Samuel Fuller: I Shot Jesse James (1949), The Baron Of Arizona (1950) & The Steel Helmet (1951)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

samuelfuller

De Amerikaanse regisseur Samuel Fuller wordt een maverick genoemd, iemand die zijn werk niet kan doen zonder kleerscheuren, die gewaardeerd in plaats van geliefd wil worden, een man die zonder compromissen zijn eigen weg gaat, tegen de gevestigde filmpraktijken in, niet bang voor het aankaarten van controversiële onderwerpen. Zowel in het dagelijks leven als op de set vertonen dit soort regisseurs onvoorspelbaar gedrag waarmee ze niet per se direct vrienden maken. Volgens de overlevering (en ook opgetekend in de toelichting bij de drie eerste films van Fuller uitgebracht als deel vijf in de Eclipse Series van Criterion) schoot Fuller een Colt.45 af in plaats van action! te roepen bij de eerste scène van zijn regiedebuut.

 

I Shot Jesse James

I Shot Jesse James

De western I Shot Jesse James (1949) volgt Robert Ford (John Ireland), bendelid en maatje van de beruchte bankovervaller Jesse James (Reed Hadley) op wiens hoofd 10.000 dollar staat. Fords acterende vriendin Cynthy (Barbara Britton) ziet een leven met een rover niet zitten en wenst dat Ford een minder risicovol leven als boer begint. Pas dan wil ze misschien met hem trouwen. Als de krant meldt dat gezochte criminelen amnestie krijgen wanneer zij Jesse James dood of levend afleveren, forceert Ford een wending in zijn leven en schiet hij James in diens huis in de rug. De beloning is vrijspraak, slechts 500 dollar en een gemeenschap die hem na de laffe daad met de rug aankijkt. Ook Cynthy verafschuwt de daad van Ford. Uit angst durft ze hem niet te vertellen dat van een huwelijk met hem geen sprake meer kan zijn.

Ford moet proberen zijn waardigheid terug zien te vinden, terwijl hij een wandelende mythe is, een personage waarop populaire liedjes worden gebaseerd. De man probeert zelf munt te slaan uit het mythologiseren van de moord op Jesse James door de aanslag na te spelen op het toneel. Wanneer dat niets oplevert zoekt hij het geluk elders in de het land in de zilvermijnen. Te laat krijgt Robert Ford spijt van de misstappen in zijn leven. Ford lijkt onmogelijk uit de schaduw van zijn eigen reputatie te treden en gaat ten onder aan wroeging.

I Shot Jesse James is zichtbaar met een laag budget geschoten, wat vooral te zien is aan de decors. De interieurs verschillen soms enkel omdat er ander meubilair is neergezet. De meeste scènes spelen zich binnenskamers af. De producer was echter tevreden en Samuel Fuller mocht in 1950 voor net zo weinig geld verder met een nieuwe productie.

The Baron Of Arizona

The Baron Of Arizona

Net als zijn debuut is de tweede film gebaseerd op ware feiten. Er heeft daadwerkelijk een man in Amerika bestaan die zich The Baron Of Arizona noemde. Vincent Price speelt de rol van de slinkse James Addison Reavis. Reavis spendeert vele jaren in zijn leven aan het vervalsen van documenten en het oprichten van monumenten om het bestaan te bewijzen van de fictieve Spaanse grootgrondbezitter Miguel de Peralta uit de 18e eeuw. Peralta zou eigenaar zijn van de hele staat Arizona. Nu heeft Reavis enkel nog iemand nodig die moet doorgaan voor de enige erfgename van de Spanjaard. Hij vindt in 1872 het ouderloze meisje Sofia de Peralta (Karen Kester), ontfermt zich over haar, leert haar de manieren van een dame en creëert zonder dat ze er erg in heeft een stamboom en familiegeschiedenis. Reavis bijtelt nieuwe namen in bestaande grafstenen en graveert een gedenkteken.

Het meisje raakt zeer gehecht aan James Addison Reavis en is in tranen als hij voor onbepaalde periode het land verlaat. Voor lange tijd sluit hij zich op in een Spaans klooster om historische, koninklijke boeken over grondbezit te vervalsen. Zijn snode plan lijkt waterdicht en na zijn terugkeer en huwelijk met de volwassen Sofia (Ellen Drew) eist hij land op bij boeren, industriëlen en de spoorwegen in Arizona. Hij wordt binnen korte tijd rijk, maar zijn acties zetten veel kwaad bloed. Het verzet van de boeren wordt steeds gewelddadiger. De overheid stuurt specialist John Griff (Reed Hadley), schrijver van het handboek Historical Handwriting And Crime Of Forgery, naar Arizona om Reavis’ claim te onderzoeken en uit te vinden of de zelfverklaarde baron de waarheid spreekt.

Vincent Price speelt zijn rol niet zo sinister als in zijn kassucces The House Of Wax (1953), maar wordt wel ter introductie op typische horrorwijze belicht door een bliksemflits. Zoals de meeste hoofdpersonages in films van Samuel Fuller is James Addison Reavis geen sympathiek figuur. Desondanks is het makkelijk mee te leven met deze dubieuze man. Price zet geen stereotiepe schurk neer. In zijn handen oogt de zwendel als een uit de hand gelopen spel. De consequenties van zijn acties dringen pas later door. De motieven om met Sofia te trouwen zijn van financiële aard, maar haar oprechte liefde lijkt Reavis’ redding te worden. Samuel Fuller is minder goed in het schrijven van romantische dialogen, getuige de platitudes in de late liefdesbekentenis van Reavis: Arizona seems so small. You suddenly seem so great. Now I know what I was looking for: a woman who would love me for what I am. No man can live without that. No man can ask for more. Maar komt Reavis op tijd tot inkeer?

Fuller kiest voor een raamvertelling en reconstrueert het intrigerende leven van de baron aan de hand van sigaren rokende, grijze onderzoeker Griff die, tijdens een borrel van notabelen in 1912, de geschiedenis over de baron laat uitgroeien tot een spannend avonturenverhaal vol exotische locaties en zelfs een kleurrijke groep door Spanje trekkende zigeuners.

The Steel Helmet

The Steel Helmet

In de eerste drie films van Samuel Fuller worden de hoofdpersonen gedwongen de confrontatie aan te gaan met de minder goede kanten van hun eigen karakter. Voor Robert Ford komt de ommekeer in zijn leven te laat en voor de nepbaron bijna te laat. In de oorlogsfilm The Steel Helmet, de derde film voor producer Robert L. Lippert en de eerste waarin de regisseur overduidelijk zijn karakteristiek rauwe vertelstijl etaleert, verandert het leven van de hoofdpersoon vanaf de openingsscène.

De soldatenwereld was vertrouwd terrein voor de oorlogsveteraan Fuller. Zijn alter ego is de sigaarkauwende Sergeant Zack (het filmdebuut van Gene Evans), een rauwdouwer par excellence, een man van snauwend uitgesproken kortzinnen voor wie sentimentaliteit geen optie is (Dead man’s nothin’ but a corpse. Nobody cares who he is now, is een van zijn typische opmerkingen). Hij overleeft als enige een slachting in Korea. Noord-Koreaanse soldaten hebben zijn legeronderdeel vastgebonden met schoenveters en geëxecuteerd. De kogel is bij Zack wonderwel via zijn helm afgeketst. Hij is gewond aan zijn linkerbeen. Zack wordt losgesneden door een Zuid-Koreaans jongetje (William Chun). Hij probeert van hem af te komen, maar de Boeddhistisch opgevoede jongen ziet het als zijn taak bij de Amerikaanse soldaat te blijven. Haast ongezien ontdooit het karakter van sergeant Zack. De oorlogsmachine wordt een mens. De man en de jongen gaan op zoek naar de rivier en komen onderweg in het oerwoud eerst de zwarte hospik Corporal Thompson (James Edwards) tegen, ook al de enige overlevende van een slachting, en vervolgens een groepje van zes verdwaalde soldaten en een paar ezels. Zack helpt twee sluipschutters uit te schakelen en met z’n allen nemen ze hun intrek in een op een heuvel gelegen tempel. Ze weten niet dat zich in hun toevluchtsoord een Noord-Koreaanse soldaat schuilhoudt.

Gene Evans zet een imposante sergeant neer. Onder het ruwe oppervlak zit een man verborgen met medeleven in zijn bast, al zal Zack de laatste zijn dat toe te geven. Je vergeeft zijn soms boute opmerkingen over inheemse religie, Oosterse mensen en de zwarte soldaat, maar dat is slechts verbale stoerdoenerij. In zijn handelen is Zack geen racist, wat overigens niet van alle soldaten in zijn groep gezegd kan worden. Fuller snijdt daarmee een thema aan waar weinig filmmakers zich indertijd aan durfden te branden. Zack is een pragmatist. Op de opmerking dat Noord- en Zuid-Koreanen nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden, heeft hij een eenvoudig antwoord: He’s a South Korean when he’s runnin’ with ya and he’s a North Korean when he’s runnin’ after ya.

Het geweld in de film is kortstondig maar hevig. Fuller sluit zijn ogen niet voor de bloedige gevolgen van een boobytrap. Hij kent ook geen genade bij de dood van de eerste soldaat die bezwijkt door toedoen van de Noord-Koreaanse insluiper. De Amerikanen houden zo goed en zo kwaad als het kan de stemming erin met hulp van grappen en muziek. Ze dollen met de jonge kale soldaat Private Baldy (Richard Monahan) en hebben een orgeltje meegenomen die van een gesneuvelde Father Paul is geweest (door het verslijten van de letters ‘her’ staat er nu Fat Paul op de voorkant van het draagbare instrument). Het verhaal blijft fier overeind ondanks de goedkope productie (10 dagen draaien voor slechts $100.000). De wildernis van Korea wordt afwisselend verbeeld in de studio, met een bordkartonnen lucht op de achtergrond, en een strook groen langs Griffith Park te Los Angeles dat toch voornamelijk lijkt op een park in Los Angeles.

The Steel Helmet sloeg zowel aan bij critici als bij het publiek en Samuel Fuller werd een gefortuneerd regisseur met geld genoeg voor een eigen villa (die een paar decennia later in handen kwam van regisseur Larry Cohen die interieur en exterieur regelmatig gebruikte voor zijn goedkoop geproduceerde films). Dankzij Criterion is het eindelijk mogelijk dit eerste hoogtepunt in de carrière van de dwarse regisseur te kunnen bekijken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *