Bright Star (Jane Campion, 2009)

Facebooktwittergoogle_pluspinterestlinkedin

BrightStar

Bright Star, gezien vanuit het perspectief van Topper, de kat van Fanny Brawne.

Als Topper heb ik een onbezorgd leventje. Ik wordt verwend als een vorst. Het huishouden van mijn baasje is vaderloos, maar moeder (Kerry Fox) heeft geld genoeg om zich dienstboden te kunnen veroorloven en Fanny (Abbie Cornish) kan zich, als ze wil, de hele dag bezighouden met textielwerk. Het maakt me niet uit of ze haute couture fabriceert of gordijnstof aan elkaar naait, zolang ze maar in de buurt is en ik op haar schoot kan liggen. Tegenwoordig zit ze meer met haar neus in de literatuur, en ik kan je verzekeren dat het veiliger is je kop langs een boekrand te wrijven dan langs een breinaald.

Fanny is gek op de minder kapitaalkrachtige jonge dichter John Keats (Ben Whishaw). Jammer dat ik in een eeuw leef die stijf staat van decorum en protocol en dat in deze tijd de twee geliefden vanwege het inkomensverschil onmogelijk met elkaar kunnen trouwen. Ik moet zoveel mogelijk profiteren van Keats’ aanwezigheid, want hemeltjelief, wat voelen zijn zachte dichtershanden prettig aan over mijn vacht. Ik ben niet bij hem weg te slaan. Niet alle dichters zijn aardig, zoals de bevriende collega van Keats, de bulkende meneer Brown (Paul Schneider). Wat een nare, irritant aanwezige vent is dat. Ik duik het liefst weg als hij in beeld komt.

Nee, dan liever de stem van Keats. Zijn dictie is zo kalm en zijn toon zo fluisterend, dat ik telkens in katzwijm val en snorrend soes als hij zijn gedichten voordraagt. Zo gaat de wereld van Bright Star geleidelijk aan, en zeker in de tweede helft van de film, op kleurrijke wijze volledig langs me heen. Ik vergeet vlinders te jagen en naar sneeuwkorrels te staren. Halverwege het verhaal ben ik volledig weggedommeld. Ik ontwaak pas wanneer mijn honger sterker is dan de geur van verse vis.